Sneller door de bocht in 3 stappen

Veel Nederlandse MTB-routes liggen bezaaid met bochten, en als je de titel King (of Queen) of the Mountain wil behalen moet je ze vlot kunnen nemen. Maar maak je geen zorgen, als je bochtentechniek goed zit kom je met een kleine tweak nog wat sneller door de bocht.

TEKST & AFBEELDINGEN: MICHEL ROMEN / TITELFOTO: RICARDO MEERTENS

Bochten horen bij de meest complexe manoeuvres op de mountainbike. Lijnkeuze, remmen, inleunen, fiets laten kantelen, gewichtsverdeling… Deze en nog veel meer aspecten wegen mee bij het nemen van een bocht. En als je dat op hoge snelheid wilt doen, is er weinig ruimte voor fouten.

Gevorderde rijders komen in platte bochten vaak aan hun grenzen doordat ze te laat inleunen, of eigenlijk de bocht te laat inzetten. En als je onvoldoende inleunt, ben je niet in staat om de centrifugaalkracht te overwinnen. Of met andere woorden: je zult onherroepelijk uit de bocht vliegen, tenzij je vol in de ankers gaat (en ook dat werkt in bochten averrechts).

Naarmate de snelheid hoger wordt is het belangrijk om een bocht vroeger in te zetten, met name om voldoende gewicht in de bocht te kunnen leggen (om ver genoeg in te leunen). Laten we bijvoorbeeld naar de lijnkeuze vóór en in een willekeurige bocht kijken, waarbij we aannemen dat de ieale lijn voor middelhoge tot hoge snelheid aan de buitenkant van de bocht ligt. Bij een gematigde snelheid hoef je slechts kort voor de bocht even naar buiten te sturen om te zorgen dat je gewicht de bocht in valt:

Om dezelfde bocht met een hogere snelheid te rijden, moet je verder inleunen om dezelfde lijn in de bocht te rijden. Dit lukt alleen als je al eerder begint met inleunen (je gewicht de bocht in te laten vallen). Dat doe je door vroeger naar buiten te sturen:

Om sneller door de bocht te gaan, verdienen de volgende 3 stappen dus extra aandacht:

1. Scannen en spotten
Dat begint met het scannen van het terrein en het spotten van het eind van de bocht. Kies je lijn zo, dat je al eerder aan de buitenkant van de bocht bent - eigenlijk dus al voor de bocht. Hiermee maak je de bocht in feite groter.

2. Tegensturen en inleunen
Maak een bewuste stuurbeweging om aan die buitenkant te komen. Zo zorg je ervoor dat je gewicht de bocht in valt en je vroeg genoeg inleunt. Dit wordt tegensturen genoemd, omdat je in de tegengestelde richting van de bocht stuurt.

3. Stevig inkantelen
Druk de fiets met het stuur de bocht in, zodat de fiets verder kantelt dan je lijf. Hiermee wordt het gemakkelijker om de fiets stabiel te houden en een eventuele schuiver op te vangen.